Twee opmerkingen vooraf.

  1. In januari 2021 zijn er twee artikelen van mij gepubliceerd over bovennatuurlijke wezens in de IJslandse cinema (elfen, trollen, dwergen, spoken en zeemeerminnen).  Een aantal van de hier vermelde films wordt daarin besproken. Zie: https://www.indebioscoop.com.
  2. Zie voor de films uit een eerder periode de pagina ‘IJslandse films in de 20e eeuw’.

De periode van 2000 – heden

De jaren na de eeuwwisseling is er een enorme activiteit in IJsland op allerlei terreinen. De economie groeit als nooit tevoren, er wordt gebouwd, de banken worden geprivatiseerd en maken enorme winsten, er worden hoge rentes gegeven op spaargeld – ook van buitenlanders – en de prijzen van onroerend goed stijgen tot ongekende hoogten. De bankiers zijn de nieuwe ondernemers, die grote risico´s nemen. Tot de luchtbel uiteenspat in 2008. Een financiële crisis (kreppa) dient zich aan, die gevolgen heeft voor de hele westerse wereld. En twee jaar later volgt dan de uitbarsting van de Eyjafjallajökull, waarvan de hele wereld de gevolgen ondervindt, omdat er maandenlang geen vliegverkeer meer mogelijk is tussen Europa en Amerika.

Op de filmwereld heeft de economische groei en de crisis daarna weinig invloed, behalve dan dat de producers een boeiend onderwerp hebben voor niuwe films! Ook vóór de crisis wordt er trouwens in films al ‘gewaarschuwd’ voor de agressieve bankiers, bijvoorbeeld in Ísland er draumurinn (The Icelandic Dream; 2000) en Maður eins og ég (A man like me; 2002) van Róbert I. Douglas. En ook in The Boss of It All (2006), een film van Lars von Trier, die twee jaar voor de financiële crisis verschijnt, en waarin Friðrik Þór Friðriksson zelf de moderne zakenman speelt. En wat de vulkaanuitbarsting betreft, ook deze geeft inspiratie voor het maken van nieuwe films.

Door de grote waardering voor de IJslandse films in binnen- en buitenland, gaat het de filmindustrie voorspoedig. Er worden nieuwe productiemaatschappijen opgericht, zoals Zik Zak Filmworks, Kormákur’s RVK Studio’s en Vesturport, die goede zaken doen. Bovendien ontdekken buitenlandse filmmaatschappijen het land als decor voor hun films en series. Zo worden zowel Blade Runner 2049 (2017) als de serie Game of Thrones (2011-2019) grotendeels in IJsland opgenomen. De samenwerking met buitenlandse filmmakers wordt gestimuleerd, en voor jonge regisseurs worden middelen beschikbaar gesteld om korte films te maken (om zo ervaring op te doen). De belangrijkste figuren zijn op dit moment: Friðrik Thór Friðriksson (zie boven), Baltasar Kormákur, Dagur Kári en Sólveig Anspach.

De regisseur die in het begin van deze eeuw ongetwijfeld de meeste aandacht trekt, is Baltasar Kormákur.  Nadat hij in vele films als acteur geschitterd heeft (o.a. in WallpaperAgnes en Devil’s Island), besluit hij letterlijk de regie in eigen hand te nemen. In 2000 verschijnt zijn eerste film, 101 Reykjavík, een (gitzwarte) comedie gebaseerd op het gelijknamige boek van Hallgrímur Helgason. De titel verwijst naar de postcode van het centrum van de hoofdstad. De film wordt goed ontvangen en wint vele prijzen. De waardering voor Kormákur als regisseur is groot en wordt nog groter als hij de volgende jaren meer films maakt. Hij produceert en regisseert ook een aantal Engelstalige films, waaronder Everest (2015), een twee uur durende indrukwekkende film over de beklimming van de Mount Everest in 1996, toen vele bergbeklimmers en sherpa´s de tocht niet hebben overleefd.

Een van zijn bekendste IJslandse films is Mýrin (Jar City; 2006), een verfilming van het gelijknamige boek van de bekende thrillerschrijver Arnaldur Inðridason (in het Nederlands vertaald als: Noorderveen). Het overlijden van een klein meisje aan een zeldzame ziekte zet een serie gebeurtenissen in gang die alles te maken hebben met iets wat 30 jaar eerder is gebeurd. In de film zijn verleden en heden op een ingenieuze wijze met elkaar vervlochten. De muziek bij deze film is bovendien indrukwekkend, zowel de thematische muziek van de éénmansband Mugison als de optredens van het IJslandse politiekoor. De film wordt zowel in IJsland als internationaal heel goed ontvangen en brengt dus veel geld op, waarmee weer nieuw films kunnen worden gefinancierd.

Ik zal hier niet alle films opsommen die door Kormákur zijn geproduceerd en/of geregisseerd. Zie daarvoor de overzichten van de films. Vermelding verdient evenwel nog zijn tv-serie Ófærð (Trapped; 2015). Dit is de duurste serie die ooit in IJsland is gemaakt met een budget van 1 miljard IJslandse kronen. De serie wordt heel enthousiast ontvangen, zowel in binnen- als buitenland. Hij wordt dan ook aan veel landen verkocht. Geen wonder dat er na enkele jaren een Ófærð 2 (Trapped 2; 1918) verschijnt, die evenveel lof ten deel valt. Netflix besluit de serie op te nemen en de serie is tot op heden op Netflix te zien. Binnenkort (2021) zal Ófærð 3 verschijnen. En tot slot: in opdracht van Netflix werkt Kormákur momenteel aan een serie: Katla (naam van een actieve vulkaan in Zuidoost-IJsland). De productie van deze film is in volle gang, maar heeft t.g.v. Covid 19 enige vertraging opgelopen.

De volgende regisseur die genoemd moet worden is Dagur Kári. Deze rock-musicus voelt zich enorm aangetrokken door de media fotografie en film. Hij maakt eerst een paar korte films die goed ontvangen worden, werkt mee aan een serie voor tv en besluit dan zijn eigen ‘echte’ film te maken: Nói Albínói (Noi the Albino; 2003). Hij laat de film niet in de hoofdstad spelen, zoals bijna alle films op dat moment, maar in een klein dorp in de Westfjorden. De hoofdpersoon is een vrij onhandelbare teenager die bij zijn oma woont en die slechts één vriend heeft in het dorp, de oude boekhandelaar. Hij krijgt zowaar een vriendin, de dochter van de boekhandelaar. Hij probeert de bank te beroven en wil vervolgens met zijn vriendin in een gestolen auto het dorp ontvluchten. Beide plannen mislukken en gedesillusioneerd trekt hij zich terug in zijn ‘hol’, een ondergrondse ruimte in het huis van zijn oma. Het dorp wordt die avond door een lawine getroffen (enkele jaren eerder echt gebeurd daar) en Nói is een van de weinige overlevenden.

De film blijkt enorm aan te slaan. Hij wordt op 70 verschillende festivals getoond en wint vele prijzen. Naast de stad is nu ook het platteland van IJsland op de internationale kaart van de art-house-film gezet. Dagur Kári maakt nog een aantal films, maar zijn Amerikaanse debuutfilm The Good Heart (2009) wordt een flop. Teleurgesteld gaat hij zich dan gedurende een aantal jaren weer aan de muziek wijden tot hij op aanraden van en met behulp van Kormákur weer gaat filmen. Dat wordt Fúsi (Virgin Mountain; 2105). Opnieuw is de hoofdfiguur een excentriekeling: een veertigjarige corpulente man die nog bij zijn moeder in Reykjavik woont, die gepest wordt door zijn collega´s, die verder geen contact heeft met andere mensen en die ´s avonds de veldslag in Egypte naspeelt met modelsoldaatjes en miniatuurtanks. Is het voor hem mogelijk te ontsnappen uit zijn micro-universum? En hoe dan? Het verloop van deze tragikomische film is steeds verrassend en tegelijkertijd ontroerend. Geen wonder dat ook deze film vele prijzen wint.

Hoewel internationaal niet zo bekend als Baltasar Kormákur en Dagur Kári, verdient ook Ragnar Bragason hier vermeld te worden. Ragnar sluit zich aan bij de groep Vesturport, waartoe veel bekende toneelspelers horen (zoals Ólafur Darri Ólafsson en Nína Dögg Filippusdóttir). Samen met deze groep heeft hij een grote hoeveelheid films en tv-series geproduceerd. Hij begint met enkele films, die op een goedkope manier geproduceerd moeten worden, zoals het tweeluik Börn (Children; 2006) en Foreldrar (Parents; 2007). Zijn grote doorbraak komt met de comedy-serie Næturvaktin (The Night Shift; 2007), die al snel gevolgd wordt door Dagvaktin (The Day Shift; 2008) en Fangavaktin (The Prison Shift; 2009). Deze series winnen diverse prijzen. Ten gevolge daarvan wordt het budget voor zijn tv-series en films aanzienlijk groter.

Na nog enkele tv-series gemaakt te hebben keert Ragnar weer terug naar de film en komt met Málmhaus (Metalhead; 2013), een film over een 12-jarig meisje dat de dood van haar broer, die een metal heavy-adept was, moeilijk kan verwerken. Ze trekt zijn kleren aan, speelt op zijn gitaar, luistert alleen maar naar zijn muziek en maakt zichzelf tot een outlaw van de maatschappij. Haar omgeving (een klein dorp op het platteland) laat haar evenwel niet vallen, zelfs niet nadat ze de plaatstelijke kerk in brand heeft gestoken. De film is een succes, niet alleen in IJsland, maar ook internationaal en wint vele prijzen.

Toch blijft ook de tv aan hem trekken en in 2017 komt hij met een nieuwe tv-serie Fangar (Prisoners) die een heel warm welkom ten deel valt. Een verhaal over vrouwen die in de gevangenis verblijven, vaak mede ten gevolge van misbruik en corruptie in de welgestelde families. Zowel de serie Ófærð (Trapped; 2015) van Kormákur als Fangar (Prisoners; 2017) roepen op tot een maatschappelijk debat over de misstanden die in de series gesignaleerd worden. En dat gebeurt ook inderdaad.

Solveig Anspach heeft een IJslandse moeder en een Duits-Roemeense vader. Ze wordt geboren op Heimaey, het grootste van de Westmann-eilanden, maar het gezin verhuist naar Frankrijk en Solveig gaat daar naar school en zal het grootste deel van haar leven in Frankrijk wonen en werken. Ze maakt veel documentaires en korte films, de meeste in het Frans. Toch is ze haar IJslandse roots niet helemaal vergeten. In 1989 verschijnt een korte documentaire-film over de vulkaanuitbarsting in haar geboorteplaats (Les îles Vestmannaeyjar; 1989).

Het duurt evenwel tot 2003 tot ze, op advies van Kormákur, besluit een film te maken die gedeeltelijk in Frankrijk en gedeeltelijk in IJsland speelt: Stormviðri (Stormy weather; 2003). Kormákur zelf speelt als acteur mee. Een vrouw van Heimaey, die ernstige psychische problemen heeft, verlaat haar huis en stapt op een vliegtuig naar Frankrijk. Daar komt ze na enige dagen zwerven in een ziekenhuis terecht waar een vrouwelijke psychiater een band met haar probeert op te bouwen. Als bekend wordt wie de vrouw is, wordt ze weer op het vliegtuig naar IJsland gezet. Als de psychiater op haar werk hoort dat de vrouw terug is naar huis, volgt zij haar omdat zij vindt dat de vrouw adequaat behandeld moet worden. Als ze op het eiland aankomt, blijkt echter dat de echtgenoot en de plaatselijke dokter (er is geen psychiater op het eiland) beide van mening zijn dat de vrouw het beste in haar eigen omgeving kan blijven, d.w.z. dat ze niet behandeld wordt. De psychiater, die met verbazing kennis neemt van het leven daar op het vulkanische Heimaey met de oceaan als een altijd aanwezige natuurkracht om het hele eiland heen, keert onverrichterzake terug naar Frankrijk.

De film is zowel vermakelijk als ook diep-tragisch. En die combinatie van humor en diepe menselijke tragiek zullen we ook in Solveigs volgende films aantreffen. Ze start een trilogie, waarvan Skrapp út (Back Soon; 2008) de eerste is. Daarna volgt de Queen of Montreuil in 2012 en als derde deel verschijnt in 2016 Sundáhrifin (The Together Project). Helaas maakt Solveig de verschijning van en de waardering voor deze laatste film (die verschillende prijzen krijgt) niet meer mee, want ze overlijdt in 2015.

Nu volgt tot slot nog een kort overzicht van enkele tijdgenoten van deze regisseurs, die mijns inziens het vermelden waard zijn. Ik noem hen in alfabetische volgorde (op voornaam). Natuurlijk zijn er veel meer, maar ik kan ze hier niet allemaal noemen. Zie daarvoor het overzicht van de films.

Ari Kristinsson moet vooral genoemd worden vanwege zijn grote belang voor de kinderfilms, waaronder animatiefilms. Zijn debuut is Æventýri Pappirs-Pésa (The Adventures of Paper Peter; 1990) dat de hele wereld over gaat. Het bovennatuurlijke, dat in veel films voor volwassenen al een rol speelt in IJsland, is ook nadrukkelijk aanwezig in zijn kinderfilms, misschien wel het meest nadrukkelijk in zijn laatste film Duggholufólkið (No Network; Geen bereik; 2007). In deze film gaat een 12-jarige computer-nerd een paar weken logeren in een dorp in de Westfjorden, waar hij ´geen bereik´ heeft. Daar wordt hij geconfronteerd met de ‘gewone’ problemen van het leven, zoals metershoge sneeuw, uitval van electriciteit, een ijsbeer en de geest van een jongen die decennia geleden is verongelukt.

Árni Ólafur Ásgeirsson laat in 2006 zijn eerste film verschijnen: Blóðbönd (Thicker Than Water). Hoewel de film goed ontvangen wordt, maakt zijn volgende film meer indruk: Brim (Undercurrent; 2010). Deze film gaat over het harde bestaan van een groep vissers en welke invloed hun werk op zee heeft op hun persoonlijk leven (inclusief hun relaties).

Baldvin Zophoníasson richt zich in zijn films vooral op de groep teenagers en adoloscenten en de problemen waarmee zij te kampen hebben. Met zijn debuutfilm Órói (Jitters; 2010) vestigt hij meteen al de aandacht op zich. Het gaat over twee teenagers, waarvan de ene ontdekt dat hij homo is. In vroegere films werd dit thema ook wel aangesneden, maar dan verwerkt in een comedie (bijvoorbeeld in Strákarnir okkar (Eleven Men out; 2005). Bij Baldvin geen comedie maar een menselijk drama waarin afwijzing, pijn en verdriet hun plaats opeisen. In zijn laatste film Lof mér að falla (Let me fall; 2018) schildert hij – op basis van veel interviews met verslaafden en hun familie – een aangrijpend portret van twee mensen bij wie het drugsgebruik tot zelfdestructie leidt.

Benedikt Erlingsson is een acteur en theater- en filmregisseur. Hij heeft in heel veel films gespeeld. Nadat hij een paar korte films heeft gemaakt, produceert en regisseert hij twee speelfilms die beide verschillende prijzen hebben gewonnen, nl. de tragi-comedie Hross í oss (Of Horses and Men; 2013) en de eco-terroristische film Kona fer í Stríð (Woman at War; 2018).

Börkur Sigþórsson is een regiseur die vooral internationaal werkt. Hij schrijft, filmt, produceert en regisseert. Hij is mede-regisseur van Engelse series als Baptiste (2019) en Endeavour (2017), maar is ook mede-regisseur van de bekende IJslandse serie Ófaerð (Trapped; 2015-2018). De enige IJslandse speelfilm die hij heeft geregisseerd, is Vargur (Mules – Vultures; 2018), die handelt over internationale drugskoeriers.

Gísli Snær Erlingssonis is, evenals  Ari Kristinsson, vooral bekend om zijn films voor kinderen. Zijn films Benjamín Dúfa (Benjamin, the Pigeon; 1995) en Ikíngut (2000) trekken internationaal de aandacht. In de laatste film landt een Groenlandse jongen op een ijsschots in IJsland. Door de volwassenen wordt hij gezien als een kwade geest die verantwoordelijk gehouden kan worden voor de uitzonderlijk strenge winter. Gelukkig is de jeugd minder bijgelovig tegenover hem en zij accepteren hem voor wie hij is en sluiten vriendschap met hem.

Grímur Hákonarson heeft, zoals de meeste regisseurs, ook een aantal korte films en documentaires gemaakt alvorens hij zich aan speelfilms waagt. Met zijn tweede film Hrútar (Rams; 2015) trekt hij internationaal de aandacht. Het is een film over twee broers die beide een schapenboerderij hebben, maar die in geen 40 jaar met elkaar gesproken hebben. Als hun dierbaarste schapen geruimd dreigen te worden, verbroederen ze zich om samen de schapen te redden. Een film met veel komische en diep-tragische momenten, die je niet gauw vergeet. Zijn laatste ilm, Mjólk of  Héraðið (The County; 2019), is een schrijnende aanklacht tegen de alleen-heerschappij van de Coöperatie op het platteland, die de boeren in een wurggreep houdt.

Hlynur Pálmason heeft enkele korte films gemaakt, waarvan sommige in Denemarken zijn gesitueerd, en twee speelfilms, waarvan Hvítur, hvítur dagur (A white, white day; 2019) de laatste en de meest bekende is.

Ólaf de Fleur Jóhannesson wordt vooral bekend om zijn documentaires, waarin hij actuele onderwerpen aan de orde stelt, zoals het vluchtelingenprobleem (Africa United; 2004), transsexualiteit (Hin undarsamlegi sannleikur um Raquela drottningu / The Amazing Truth about Queen Raquela; 2008) en de milieuproblematiek (onder zijn leiding wordt in 2009 de film Draumalandið / Dreamland gerealiseerd).

Rúnar Rúnarsson maakt aanvankelijk een hele serie korte films, waarvan zijn Síðasti Bærinn (The Last Farm; 2004), die hij nog tijdens zijn studie maakte, een Oscar-nominatie krijgt. Hij wint de Oscar niet, maar wint wel 14 andere prijzen. Deze korte film is nog steeds op YouTube te bekijken. Rúnar gooit ook hoge ogen met zijn film Eldfjall (Vulcano; 2011), een menselijk drama over een boer die door de uitbarsting van de vulkaan in 2010 zijn levenswerk ineen ziet storten. Zijn land bedekt met lava, hij tot een persoon geworden, zonder enig nut voor de maatschappij. Ook deze film wint verschillende prijzen. Zie voor andere films van Rúnar, het overzicht van de films.

Silja Hauksdóttir regisseert haar eerste film Dís, een comedie, in 2004. Daarna werkt ze voornamelijk voor de televisie. In 2019 verschijnt haar tweede film: Agnes Joy (2019), over een moeder met een burn-out en haar opgroeiende dochter. Deze film wordt in 2020 ingezonden voor een Oscar-nominatie.

Valdis Óskarsdóttir heeft al een lange carrière als editor achter de rug als zij besluit zelf de camera ter hand te nemen. In 2008 verschijnt haar Sveitabrúðkaup (Country Wedding), in 2010 gevolgd door Kóngavegur (King´s Road). Zij neemt in haar comedies het platteland weer als decor, niet als een vredige landelijke omgeving, maar als een duistere plaats waar misdadigers zich veilig kunnen wanen met hun sinistere geheimen. De laatste film is gemaakt mede naar aanleiding van de bankencrisis in 2008.

IJslands films en series zijn van een hoge kwaliteit. Ze worden ook in het buitenland zeer gewaardeerd en worden naar veel landen verkocht. Ze vormen momenteel een van de belangrijkste exportproducten van IJsland.

De regering heeft daarom in oktober 2020 een filmbeleid afgekondigd dat de positie van de IJslandse film op de wereldmarkt nog meer moet versterken.

Hier volgt tot slot nog een overzicht van bekende tv- en Netflix-series die de afgelopen jaren het licht hebben gezien en die enorm populair zijn gebleken.